Voor het Nederlands elftal zit het WK Voetbal erop. En dus ook voor Edwin Goedhart, Chief Medical Officer van de KNVB en sinds 2012 teamarts van Oranje. Voor het WK van start ging, spraken we hem voor HuisartsenService.
“De mens is gemaakt om te bewegen”
In de eerstelijnszorg wordt steeds vaker gerept over het ‘in beweging krijgen van de populatie’. Terecht, want een gezond en mobiel lichaam is de best mogelijke preventie tegen tal van aandoeningen. Voor huisartsen is het in beweging krijgen van een patiënt soms echter nog wel een uitdaging. Sportarts Edwin Goedhart, Chief Medical Officer bij de KNVB, legt uit wat de eerstelijnszorg kan leren van topsportzorg.
Edwin Goedhart staat bekend als dé teamarts van het Nederlands elftal, een rol die hij sinds 2012 vervult. Sinds 2013 is hij Chief Medical Officer bij de KNVB, maar naast zijn verantwoordelijkheden bij het Nederlands elftal is hij ook manager sportgeneeskunde van het sportmedisch centrum in Zeist en is hij de initiatiefnemer achter de Sportgerelateerde Hersenschuddingen Polikliniek. “Druk ja, maar op alle gebied geweldig werk”, zo lacht Goedhart. “Het werk met het Nederlands voetbalelftal springt wellicht het meest in het oog, daar kennen mensen mij doorgaans wel van. Maar wat ik persoonlijk het mooie vind aan het werk dat we doen in het sportmedisch centrum – eigenlijk het Voetbal Medisch Centrum, ik ben tenslotte vooral een voetbaldokter – is dat we hier iedereen kunnen zien. Van jong tot oud, van amateur- tot topsporters, man of vrouw, elke laag van de bevolking. Je kan hier terecht voor een sportmedisch onderzoek, een behandeling of revalidatie van een sportblessure. In dit centrum willen we de mensen verder helpen en ik vind het razend interessant dat we hier wetenschap en innovatie samen kunnen brengen om zo de sportgeneeskunde, maar daarmee ook de reguliere geneeskunde naar een hoger niveau te kunnen brengen.”
Bewegen voorschrijven
Als sportarts vindt Goedhart het jammer dat er soms nog bruggen geslagen moeten worden tussen sportartsen en huisartsen. Zeker in een wereld waarin het belangrijk is dat bijvoorbeeld diabetes type 2-patiënten meer moeten gaan bewegen om hun aandoening onder controle te krijgen en niet alle huisartsen goed weten hoe ze dat aan kunnen pakken. “We kunnen zo veel van elkaar leren. Allereerst zou ik wel willen zeggen dat er wat mij betreft te weinig sportartsen zijn, maar dat is weer een heel andere discussie. Maar als sportarts schrijf je niet zo heel snel medicijnen voor, wij schrijven bewegen voor! Daarom zijn we voor de industrie ook niet zo heel interessant” – lacht. “Maar goed, dat doen we dus ook door naar het niveau van iemands conditie te kijken en in het geval van sportblessures op maat te bekijken waar een patiënt behoefte aan heeft om zo snel mogelijk te kunnen revalideren. En nu hoeft natuurlijk niet iedere sporter met een verstuikte enkel direct naar een sportarts, en niet iedere diabetespatiënt moet meteen op het hoogste niveau gaan sporten. Maar wat ik een mooi begin zou vinden is als huisartsen en sportartsen elkaar in een regio wat meer op zouden zoeken, over en weer ervaringen zouden delen en meer aan kennisuitwisseling zouden doen.”
Individualisering
Goedhart is ervan overtuigd dat er in de eerstelijn prima begeleid kan worden op het gebied van beweging. Maar hij stelt ook dat daar niet te vrijblijvend mee omgegaan moet worden. “En dat hoeft dus echt niet in samenwerking met een sportarts. Er zijn een aantal duidelijke richtlijnen en manieren om mensen verantwoord oefeningen te laten doen. Je kunt bijvoorbeeld naar sportzorg.nl, een pagina waar je leert met sport en beweging om te gaan en waar mensen met verantwoorde schema’s kunnen opbouwen. Want dat beweging mensen zowel mentaal als fysiek helpt is inmiddels wel bewezen. Maar je moet je ook niet blindstaren op bepaalde beweging waarvan je denkt dat het goed zou zijn voor een patiënt. Je kunt wel zeggen ‘je moet gaan zwemmen’, maar als die patiënt een bloedhekel aan zwemmen heeft, weet je eigenlijk vooraf al dat het niets wordt. Dus je moet uitzoeken wat iemand leuk vindt en zien wat iemand gemotiveerd houdt. Een huisarts kent zijn patiënten doorgaans wel goed, dus die moet ook uit kunnen vinden wat een patiënt wel of niet beweegt, letterlijk en figuurlijk. Dat belang van het gemotiveerd houden en de lat daarbij iets hoger leggen is iets wat ik in de topsportgeneeskunde heb geleerd. Soms word ik er een beetje op aangevallen, want iedereen is in de zorg enorm van de protocollen. Dat die er zijn vind ik ook zeker goed hoor. Maar protocollen zijn wel gemaakt om geen onvoldoende te scoren. Ze zijn vrij defensief, gericht om niet te falen. Protocollen zijn niet gemaakt om een 9 of 10 te scoren. Dus je zal – met dat protocol als basis – als je een patiënt echt goed wil helpen toch moeten gaan individualiseren. Dus ja, inderdaad, het is goed om meer te bewegen. Maar het hoe en hoe vaak hangt helemaal af van degene die tegenover je zit. Een van de benaderingswijzen van de topsportgeneeskunde is goed kijken naar het individu.”
‘Je moet het zelf doen!’
Het individu waar de huisarts mee te maken heeft is onderdeel van een steeds ouder wordende samenleving, die gezond – of tenminste zo gezond mogelijk – de oude dag in begeleid wordt. “Het is jammer dat we een samenleving hebben waarin het steeds minder een beleid wordt om mensen te laten bewegen. Want bewegen is een essentieel onderdeel van het menselijk lichaam. Beweeg je te weinig, dan krijg je problemen, de mens is nu eenmaal gemaakt om te bewegen. Het zou goed zijn als die boodschap in de hele maatschappij meer aandacht krijgt. Ooit ben ik mijn opleiding begonnen met als doel huisarts te worden. Maar tijdens mijn coschappen in de huisartspraktijk merkte ik wel dat patiënten de neiging hebben om de oplossing van hun probleem op het bord te leggen van de huisarts. Als huisarts kan je adviseren, helpen en ondersteunen waar nodig. Maar mensen moeten het zelf doen. Of dat nu om beweging of medicijntrouw gaat. Wat dat betreft is het werk als sportarts voor mij wel wat makkelijker, omdat sporters over het algemeen meer gemotiveerd zijn om zo snel mogelijk weer in vorm te komen. Maar ook daar geldt, ze moeten het uiteindelijk zelf doen. Ik zou voor een gezonde bevolking persoonlijk ook willen pleiten voor meer uitdaging tot beweging in de openbare ruimte. Je ziet natuurlijk wel dat gemeentes investeren in sportveldjes en beweegpleintjes, maar die zijn vooral gericht op jongeren. Zorg in een ouder wordende maatschappij dat dit soort initiatieven ook interessant zijn voor zestigplussers, die daar kunnen bewegen en – ook heel belangrijk in een maatschappij die vereenzaamt – sociale contacten kunnen opdoen. Want sport en beweging hebben óók belangrijke sociale componenten. Beweging maakt je lichaam weerbaarder, maar je komt ook mentaal lekkerder in je vel te zitten. We moeten mensen daar dus continu toe proberen te verleiden.”
Teamspeler
Komende zomer begeleidt Edwin Goedhart het Nederlands elftal weer tijdens het WK voetbal. Een klus die hij niet in zijn eentje klaart, uiteraard. Als teamarts ziet hij de spelers, maar in de rol van Chief Medical Officer stuurt hij het medische beleid aan, waarborgt hij de zorgkwaliteit, adviseert hij en bouwt hij bruggen. Op velerlei gebied zijn er parallellen te trekken tussen het team dat de sporters begeleidt en de steeds groter groeiende teams die in een huisartsenpraktijk aan het werk zijn. Goedhart beaamt dat en stelt dat een succesvolle samenwerking gestoeld is op vertrouwen. “Hoe groter je groeit, hoe meer individuele belangen er spelen. Maar juist dan moet je één visie formuleren en je daar collectief aan conformeren. Dat betekent echter niet dat je daarmee autonomie verliest. Als je optimaal multidisciplinair wil werken als team, betekent dit dat iedereen op meerdere vlakken blind moet kunnen vertrouwen op de discipline van collega’s. Dus in ons geval betekent dit dat de fysio zich vooral richt op het voorkomen en behandelen van blessures, de diëtist houdt zich met voeding bezig, de fysieke trainer focust specifiek op kracht en conditie. Dat zou je naar een huisartsenpraktijk kunnen doorvertalen. Je moet van elkaar weten dat je allemaal hetzelfde doel hebt en je daar vanuit de eigen discipline optimaal voor inzetten. Maar je moet wél continu met elkaar in gesprek blijven en open staan voor suggesties. Anders betekent multidisciplinair in de praktijk heel veel monodisciplinair. Juist door die grenzen niet te strak te trekken ontstaat creativiteit. Zo kun je in een veilige omgeving fouten maken zonder daar meteen op afgerekend te worden en ontstaan oplossingen die je vanuit de eigen monodiscipline wellicht niet had gevonden.”
Keuzes maken
Samenwerken betekent volgens Goedhart ook keuzes maken en je daar allemaal aan houden. “Ik maak regelmatig de vergelijking van een autorit van Amsterdam naar Rotterdam. Je kunt over Den Haag rijden óf over Utrecht. Beide routes zijn prima, het einddoel is exact hetzelfde. Maar je kunt niet een beetje over Den Haag én een beetje over Utrecht. Je moet – en dat vinden mensen vaak lastig – keuzes maken. En zo is het werken met een team ook, niet alleen het einddoel moet voor iedereen gelijk zijn, ook het traject daarnaartoe. En daarbinnen is iedereen verantwoordelijk voor zijn eigen afgebakende takenpakket. Als je dat goed weet te borgen, kun je optimale zorg leveren. Nu moet ik wel zeggen dat ik vanuit mijn functie wellicht iets makkelijker een team kan samenstellen dan een huisarts. Ik besef terdege dat praktijken in een wereld waar de eerstelijn steeds meer op het bordje krijg toch wat meer ongecontroleerde groeistuipen hebben en niet altijd makkelijk aan personeel kunnen komen. In tegenstelling tot werken voor de KNVB dat als heel aantrekkelijk wordt gezien. Bij gesprekken met potentiële nieuwe medewerkers houd ik altijd in het achterhoofd ‘komt deze persoon voor het doel? Of voor de stoel?’ Ik denk dat in een huisartsenpraktijk ook in tijden van personeelstekorten op die manier naar personeel gekeken zou kunnen worden. Want zo kweek je wel een bestendig team. En zodra je allemaal hetzelfde doel nastreeft en vertrouwt op elkaars expertise, kun je groeien en doorontwikkelen.”

